Wij zijn op zoek naar artikelen, beeld, citaten en eigen teksten.
Wij stellen bijdragen en reacties erg op prijs.
Regelmatig wordt nieuw materiaal toegevoegd.
Reageren? Een bijdrage leveren?
Stuur een mail naar dekokelders@gmail.com
naar platform
juni 2011
gelezen: een tekst van Rob van Gerwen over installaties
Ik las de tekst ‘Installaties, alledaags of alledaags’ (2001) van Rob van Gerwen.
Hij beredeneert in deze tekst hoe je kunt vaststellen dat een installatie een kunstwerk is. Voor mij als kunstenaar en toeschouwer is dit op zich niet zo’n belangrijke vraag, maar wel vind ik zijn uitgangspunt interessant: hij wil kunst kunnen omschrijven op een andere manier dan de institutionele manier (het is kunst omdat het zo bedoeld is en als zodanig functioneert in een aanwijsbaar maatschappelijk gebied). Hij wil kunst dus principieel onderscheiden van het andere, en dat doet hij erg helder.
De kern van zijn verhaal is, dat een kunstwerk zich wezenlijk in een andere ruimte bevindt dan de kijker, omdat kunstwerk en kijker niet verbonden zijn door fysiek handelen. De ruimte verschilt in de eerste plaats in moreel opzicht: je reageert anders op een kunstwerk dan op het ‘echte’ leven, je laat het kunstwerk met rust waar je anders misschien zou ingrijpen. Van Gerwen noemt als voorbeeld, hoe een arts Abramovic uit een brandende cirkel trok, omdat ze ging stikken door zuurstofgebrek. Hij heeft het over de alledaagse handelingsdimensie (waar je Abramovic redt) en over de artistieke handelingsdimensie (waar je het werk probeert te begrijpen). Hoe publiek zich gedraagt bij verschillende kunstvormen, is bepaald door conventie (stilzitten bij een concert, niet aan het schilderij komen). Om een beeld te kunnen begrijpen, accepteer je als kijker die regels, anders stopt het werk als kunstwerk. Als exemplaar van een bepaalde kunstvorm bepaalt een kunstwerk dus wèl het handelen van de kijker, maar als concreet uniek werk spreekt het alleen tot zijn denken en voelen. Volgens van Gerwen bevindt een kunstwerk zich daarom in een ‘indirecte morele ruimte’, in tegenstelling tot de directe morele ruimte van het gewone leven.
Daarnaast maakt hij nog een tweede onderscheid tussen de alledaagse ruimte en de artistieke ruimte. Feitelijk bevindt een toeschouwer zich met al zijn fysieke hoedanigheden in de alledaagse ruimte; hier wordt zijn waarneming bepaald door zijn hele lichaam en de beweging van zijn lichaam. Van Gerwen noemt deze waarneming egocentrisch omdat het lichaam de hoofdrol heeft. De waarneming van de artistieke (of: gerepresenteerde) ruimte is onafhankelijk van het lichaam en daarom non-egocentrisch. Deze manier van waarnemen is in zijn ogen wezenlijk voor de beschouwing van kunst. Het werk dat je bekijkt, bevindt zich in een andere ruimte en andere tijd dan jijzelf. Alleen zo kan je er ‘meer in zien’ dan wat je letterlijk ziet.
Van Gerwen beschrijft o.a. installaties als ‘betrokken op het onderscheid met egocentrische alledaagse waarneming’, en als een vorm van ‘artistiek verzet tegen het non-egocentrische karakter van kunst’. Ze zetten deze definitie van kunst onder druk. Installaties wekken de schijn dat ze onderdeel zijn van de alledaagse ruimte; de toeschouwersruimte lijkt samen te vallen met de werkruimte. Betekent dit dat je een installatie dan ook egocentrisch (als persoon èn als handelend lichaam) moet bekijken? Hij concludeert natuurlijk van niet; in zijn ogen bevindt alle kunst zich in de non-egocentrische ruimte, ook als het om een installatie, een performance, een readymade of een conceptueel werk gaat. De grens tussen het alledaagse en het artistieke is nodig. Die grens garandeert de identiteit en de autonomie van het kunstwerk, en brengt de toeschouwer van een handelende naar een interpreterende houding.
Ik kan niet beoordelen hoe ‘waar’ dit is, maar vind het een mooi standpunt. Het beschrijft heel duidelijk een bepaalde spanning die ik altijd voel bij beelden en installaties: de neiging om je lichamelijk te verhouden tot het werk (de wens om de keramiek van Eva Klee te aaien bijvoorbeeld) tegenover de wetenschap dat het om duiding en betekenisgeving gaat. Het lichamelijke, het vermogen om je in te leven en mee te voelen met het beeld, heeft uiteindelijk alleen een functie in die betekenisgeving. Als je je heel groot voelt in een installatie, zegt die ervaring vooral iets over het werk.
De verhouding tussen het (materiële) kunstwerk en de kijker is dus in wezen immaterieel?
Els Snijder
mei 2011
gelezen in NRC handelsblad 31 mei 2011
monoloog bij een schilderij door Sanneke van Hassel
Sanneke van Hassel schreef voor ‘Venetië’ drie monologen over de culturele identiteit van Nederland.
In Stilleven beantwoordt Mimoun (10 jaar) vragen van de onderwijzer over een stilleven uit de Gouden Eeuw. De meester zegt dat je goed moet kijken. Naar wat dan? Een glas, een schaal, een citroen?
"Vraag je af, Mimoun: Glimt het, is het dof? Hoe doet de schilder dat? Dat moet je opschrijven. Waarom, denk je, schildert hij gebroken glas?"
Ja meester, waarom schildert die gast dat? Echt niet normaal.
’t Lijkt wel een foto van Marktplaats: iemand is dood, alles moet weg. Gekke glazen met wratten, een kleed, een oude schaal.
„Welke kleuren gebruikt de schilder? Wat plaatst hij vooraan, wat achter?”
Grafkleuren, meester. Ik zweer je, hier gebeurt helemaal niks.
Mag ik die met die ridders doen?
„Die doet Dylan al en het zijn geen ridders, Mimoun, maar schutters. In de Gouden Eeuw bewaakten ze de muren van de stad. ”
Rare gasten met grote snorren in een donker hol. Kazen in toneelkleren. Ze steken hun wapens alle kanten op, geweren en speren, een meisje met een kip aan haar jurk, een bange straathond. Vooraan een kapitein in een piratenpak.
„De Nachtwacht is een groepsportret, Mimoun, dat van jou is een Stilleven. De schilder laat zien hoe precies hij kan schilderen. Schrijf gewoon op wat je ziet, jongen, schiet op. ”
Dus. Een joint gedraaid van een krant, een verrotte citroen, kapot glas, een doffe schaal met één noot. Vriend, ik vraag je, wat boeit dat? In de Gouden Eeuw vochten de Hollanders op zee, dat zou ik schilderen. Piraten die door de lucht vliegen. Of een voetballer die scoort. Hóllánd. Ik zou zijn been laten glimmen, zijn spieren, elke haar. Geen schillen van een zuur stuk fruit. Mijn broer Said, meester, bijt in citroenen of het perziken zijn. Hij zit in de handel, telefoons, goud. Ik ga ook in de handel. Die kazen werden stinkend rijk, ze lieten hun slaven het werk doen.
„Mimoun, wat laat de schilder ons zien? Bijna iedereen is klaar. Straks is het pauze en kun jij niet naar buiten. ”
Rustig, meester. Komt goed. Ik zie een grote dikke citroen. Mijn moeder geeft hem bij de sardines. Haar mes glimt. „Mimoun, eten. Nu komen. Ik ga het niet honderd keer vragen.” Ze zet een bord sardines neer. Ze snijdt de citroen in stukken, knijpt, het sap druipt tussen haar vingers door. Maakt een sardine open, zuigt de kop uit en zegt: smaakt niet als in Nador. Is niet vers. Maar, je weet, als ik niet snel ben, eet ze alles op. Waar is Said? Mijn moeder legt een paar sardines op een bord en doet er aluminiumfolie over. De koelkast staat er vol mee. De aluminiumfoliebordjes van Said. Zou die gast ze kunnen schilderen?
Ik maak er gewoon een foto van, meester. Met mijn telefoon.
februari 2011
blog van Philip Peters - essays
philippetersessays.blogspot
Philip Peters is een blog begonnen waarin hij teksten bij elkaar brengt die hij sinds 2007 schreef en die volgens de auteur niet gemakkelijk te vinden zijn.
Reageren? Een bijdrage leveren?
Stuur een mail naar dekokelders@gmail.com
| |elders | dekokelders@gmail.com.. 0633978122 .. www.dekokelders.nl |